Als ik iemand vraag wat zij het moeilijkst vinden in de Nederlandse taal, dan hoor ik 9 van de 10 keer “ik haal altijd de d’s en t’s door elkaar”. Terwijl dit juist helemaal niet moeilijk hoeft te zijn! Er zijn 4 simpele regels die je altijd aan kunt houden wanneer je even twijfelt over de d’s en t’s:

4 simpele -DT regels

  1. Wanneer er je of jij voor het werkwoord staat, of hij, zij of het voor of achter het werkwoord schrijf je het woord altijd met een -t op het eind.
  2. Staat er “je” achter het werkwoord, maar kan je dit niet veranderen in jij, dan schrijf je het woord altijd met een -t op het eind.
  3. Staat er geen -d op het eind van het werkwoord als je -en eraf haalt? Dan kan er nooit -dt staan aan het eind van het werkwoord.
  4. In de verleden tijd staat er nooit -dt!

Wanneer je deze 4 regels volgt, zul je zien dat je veel minder -dt fouten maakt. Je weet nu bijvoorbeeld dat de volgende zinnen fout zijn:

Ik wordt nat door de regen (Na “ik” komt er nooit een -t achter het werkwoord)

Jij werdt naar huis gebracht (In de verleden tijd staat er nooit -dt)

Hij loopdt naar de winkel (Er stond geen -d in lopen, dus er kan ook geen -dt staan)

Nou zijn dit natuurlijk voorbeelden die je niet zo snel ergens verkeerd geschreven ziet staan, maar ze laten wel zien dat -dt eigenlijk niet zo moeilijk hoeven te zijn. En wanneer je er echt even niet uitkomt of iets met een -d, een -t of -dt geschreven moet worden, kun je altijd nog het woord vervangen door iets waar je niet over twijfelt!